1.  Kijk, mens, wat God voor u geworden is.

Augustinus over de Menswording.

 

  1. Eerbied voor de dure God Preek 91,3

Commentaar bij Mt 7,7-8

 

Het[1] zijn geen stenen of breekijzers waarmee we aan de deur van de Heer moeten kloppen. En we hoeven ook niet met de vuist te slaan. Ons leven moet aankloppen, voor ons leven wordt opengedaan. Met ons hart vragen we. Met ons hart zoeken we. Met ons hart kloppen we. Voor ons hart wordt opengedaan. Een hart dat op de juiste manier vraagt; op de juiste manier aanklopt en zoekt, zo’n hart kan toch niet anders dan vol eerbied zijn. Eerbied? Wat is de ware eerbied? Eerbied is vóór alles God beminnen om God. Daarbij mag het niet zijn dat je wel op de beloning rekent die je van God verwacht maar niet op Hemzelf. Want er is niets beters dan God. Wat voor duurs zouden we van God kunnen vragen als God zelf in onze ogen goedkoop is.

 

  1. Geloof doet zien

Preek 88,14

Commentaar bij Mt 20,29-34

Hoe kunnen onze ogen nu worden genezen? Zoals we door ons geloof inzien dat Christus in de orde van de vergankelijke tijd voorbijgaat, zo moeten we ook begrijpen dat Hij in de orde van de onveranderlijke eeuwigheid blijft staan. Pas wanneer de godheid van Christus wordt begrepen, zullen ogen beter worden. Laat dat goed tot u doordringen, geliefde broeders en zusters.

 

 


  1. De echte God wordt een echte mens: onovertrefbare paradox

 

Preek 265A, 7

 

(7) Vanwege het echte slavenbestaan dat Hij had aangenomen sprak Hij dus de waarheid toen Hij zei: “De Vader is groter dan Ik” (Joh 14,28). God is namelijk hoe dan ook groter dan een mens. Maar ook vanwege het goddelijke bestaan, waarin Hij altijd bleef samen met de Vader, sprak Hij de waarheid: “Ik en de vader wij zijn één” (Joh 10,30). Hij steeg dus op naar de Vader in het mens-zijn, maar Hij bleef bij de Vader in het God-zijn. Hij verscheen immers aan ons in het vlees zonder de Vader te verlaten. Ik bedoel hiermee: het Woord dat vlees is geworden om onder ons te wonen, is opgestegen naar de Vader. En het beloofde zijn aanwezigheid opnieuw met de woorden: “Zie, Ik ben met u alle dagen tot aan de voleinding der wereld” (Mt 18,20).

Met betrekking tot het goddelijke bestaan zegt de apostel Johannes over Hem: “Dit is de ware God, dit is eeuwig leven!” (1 Joh 5,20). En met betrekking tot het bestaan van een slaaf zegt de apostel Paulus over Hem: “Hij die bestond in goddelijke majesteit, heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God: Hij heeft zich van zichzelf ontdaan en het bestaan van een slaaf aangenomen” (Fil 2,6-7). Over zijn goddelijke majesteit zegt Hij van zichzelf : “Ik en de Vader, Wij zijn één” (Joh 10,30). Waar komt dat vertrouwen vandaan? Over zijn slavenbestaan zegt Hij: “Ik ben bedroefd tot stervens toe” (Mc 14,34). Waar komt die angst vandaan? Zijn angst stoelt op het delen in de menselijke zwakte; zijn vertrouwen vast en zeker op de eigenheid van zijn goddelijke natuur.

 

  1. De “vleselijke” Christus solidair met de “vleselijke” mens: God binnenstaander in het mens-zijn om de mens binnenstaander te maken in de verrijzenis

 

4.1.              Preek 75,8

Commentaar bij Mt 14,27

Daarmee wil Hij zeggen: “U mag niet zo bang worden voor mijn waardigheid dat U Mij mijn waarheid wilt ontnemen. Ook al loop Ik over het meer, ook al loop Ik over de opgeblazenheid en de hooghartigheid van de wereld heen als over de woeste golven, toch ben Ik u als een echte mens verschenen. Toch verkondigt mijn Evangelie de waarheid over Mij. Het is waar dat Ik uit een maagd geboren ben (vgl. Mt 1,18-25); dat Ik het Woord ben dat vlees geworden is (vgl. Joh 1,14); dat ik de waarheid sprak toen Ik zei: “Betast Mij en kijk. Een geest heeft geen vlees en beenderen zoals u ziet dat Ik heb” (Lc 24,39) en dat de handen van de onzekere Thomas de ware sporen van mijn wonden bevoelden (vgl. Joh 20,27). Daarom zeg Ik: “Ik ben het. Wees niet bang”(Mt 14,27).

 

4.2.              Preek 80,5: alternatieve ruilhandel

Christus is namelijk God maar dat wat God is in Hem, is niet gestorven: een en dezelfde persoon is God en mens. Er is maar één Christus en die is tegelijk God en mens. Om ons beter te maken heeft Hij de mens aangenomen, maar daarbij heeft Hij God niet naar beneden gehaald. Hij is geworden wat Hij niet was maar daarbij heeft Hij niet verloren wat Hij wel was. Omdat Hij tegelijk God en mens was, is Hij dus, in de hoop dat wij zouden leven vanuit het zijne, gestorven vanuit het onze. Want zelf had Hij niets om aan te kunnen sterven. Maar wij hadden weer niets om van te kunnen leven.

Wat was Hij dan, dat Hij niets had om aan te kunnen sterven? “In het begin was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God” (Joh 1,1). Vind maar eens iets waaraan God kan sterven. Dat zal u niet lukken. Maar wij, wij sterven wel. Wij zijn vlees. Wij zijn mensen die het vlees van de zonde dragen (vgl. Rom 8,3). Vind maar eens een zonde waarvan wij uiteindelijk in leven blijven. Die is er niet. Zoals Hìj de dood niet van zichzelf kon hebben, konden wìj het leven niet van onszelf hebben. Wìj hebben het leven van Hem en Hìj de dood van ons. Dat is pas handel! Wat bood Hij aan en wat kreeg Hij ervoor terug? De gewone handelaar drijft handel om het een tegen het ander uit te wisselen. Ja, want oorspronkelijk was handel ruilhandel… Maar niemand die zijn leven aanbiedt in ruil voor de dood!

 

4.3.              Preek 242A,1-2

(1) De heilige evangeliën getuigen dat onze Heer Jezus Christus op de derde dag is verrezen uit de doden en in de heilige geloofsbelijdenis belijdt nu de hele wereld dit al. De profeten, die de gebeurtenissen rond de verrijzenis niet hebben gezien, hebben wel gezegd wat er gebeuren ging. Want ze zagen niet, maar voorzagen in de geest; Ik ben van mening dat al die mensen zich moeten schamen, die onze toekomstige verrijzenis loochenen, terwijl ze dat met de verrijzenis van Christus niet aandurven. Zij zeggen immers: “Hij is verrezen, maar als enige aan wie het gegeven werd te verrijzen en dat nog wel met het vlees dat Hij heeft willen aannemen. Maar uit het feit dat zijn vlees is verrezen volgt toch niet vanzelf dat ook ons vlees verrijst? Hoever staan zijn macht en kracht niet van ons vandaan?”

Het antwoord aan hen moet zijn: “De goddelijkheid van Christus staat ver van u af, maar de zwakheid van Christus is vlak bij u gekomen.” God bij zichzelf, mens om u. Vanuit zijn god-zijn heeft Hij u gemaakt, vanuit uw mens-zijn heeft hij voor u geleden. Als Hij u dus heeft gemaakt vanuit zijn god-zijn, dan is Hij verrezen in uw mens-zijn. Het Woord had immers geen vlees. In het begin was het Woord en het Woord was bij God, en het Woord was God. Dit was in het begin bij God. Alles is door Hem gemaakt (cf. Joh 1,1-3). Ook de mens is door het Woord gemaakt. Maar Hij door wie de mens gemaakt is, is later mens geworden. En om de mens niet verloren te laten gaan is Christus gestorven…

 (2) Keer terug naar uw oorsprong en ga eens na wat u was toen u werd gezaaid. Het eerste begin van ons is in de moederschoot gestort. Denkt u dat eens in. Vergelijk de mens begraven in de aarde, met de mens gezaaid in de schoot. Wij weten toch allen dat wij sterfelijk zijn? Precies zoals wij ons dus de schoot van de aarde voorstellen, waarin ons lichaam ligt gezaaid om te verrijzen, zo moeten we ons ook in de baarmoeder het gezaaide voorstellen, waaruit het samenhangend geheel van ledematen ontstond… Dat mensen daarin worden gezaaid, ik herhaal: dat mensen daar, in de baarmoeder, vorm krijgen, dat zijn wonderen van alledag. Maar omdat het zich al te vaak herhaalt, is de verwondering erover verdwenen en door die gewenning heeft het aan betekenis ingeboet.

                               

  1. De nederige God

Preek 70A 1-2

Commentaar op Mt 11,28-30

 

(1)… Daarom zegt de Heer… Nou, wat zegt Hij? Juist, “Ik zal u verkwikken. Neem mijn juk op en leer van Mij.” Wat kunnen we dan van U leren, Heer? Wij weten dat U in het begin het Woord was en dat het Woord bij God was, en dat het Woord God was. Wij weten dat alles door U is gemaakt, het zichtbare en het onzichtbare. Wat kunnen wij van U leren? De hemel ophangen? De aarde vastzetten? De zee uitspreiden? De lucht uitspannen?...

Of wilt U ons misschien leren wat U op aarde hebt gedaan? Wilt u ons dàt leren? Dan kunnen wij van U leren hoe we melaatsen moeten reinigen, hoe we demonen moeten uitdrijven, koortsen verjagen, de golven van de zee tot bedaren brengen, doden tot leven wekken… “Niets van dat alles”, zegt Hij. Maar wat dan wel? Zachtmoedigheid en nederigheid van hart. Schaam je, trotse mens, schaam je voor God. Het Woord van God zegt; God zegt; de Eniggeborene zegt; de Allerhoogste zegt: “Leer van Mij dat Ik zachtmoedig ben en nederig van hart”. Zijn hoge majesteit is afgedaald naar de nederigheid. En dan durf jij, mens, je nog op te blazen? Mens, kom tot jezelf; breng jezelf terug tot de nederigheid van Christus en blaas jezelf niet op tot je van trots uit elkaar barst…

Hij was in het begin. Kan het verhevener? Het Woord is vlees geworden. Kan het nederiger? Hij heerst over de wereld. Kan het verhevener? Hij hangt aan een kruis. Kan het nederiger? Als Hij zoiets voor jou heeft gedaan, mens, hoe durf je je dan nog te verheffen; hoe durf je je dan nog op te blazen? Arrogant, dat is wat je bent. God is nederig en dan durf jij nog trots te zijn? In de psalm staat dat de Heer, hoe verheven Hij ook is, omziet naar de nederige. Daarom zeg jij misschien: “Naar mij ziet Hij niet om.” Kan er iemand ongelukkiger zijn dan jij, als God niet naar je omziet maar op je neerziet? Achter “omzien naar” zit medelijden. Achter “neerzien op” zit verachting. Omdat er staat dat de Heer alleen de nederige ziet, denk je misschien wel dat je je voor Hem kunt verbergen. Want je bent niet nederig! Je bent verheven; je bent trots.

 

  1. Menswording: de Drie-eenheid aan het werk

Preek 71,27

Zo kunnen we ook helemaal naar waarheid volhouden dat alleen de Zoon mens is geworden (vgl. Joh 1,14) en niet de Vader of de heilige Geest. Maar als u denkt dat de menswording alleen maar over de Zoon gaat en dat de Vader en de heilige Geest er niet aan hebben meegewerkt, dan hebt u het bij het verkeerde eind.

 

 

 

 


 


[1] De vertaling van de preekfragmenten zijn ontleend aan: AURELIUS AUGUSTINUS, Als licht in het hart. Preken voor het liturgische jaar [Sermones de tempore]. Vertaald door drs. Joost van Neer, dr. Martijn Schrama o.s.a, drs. Anke Tigchelaar en drs. Paul Wammes; ingeleid en van aantekeningen voorzien door dr. Martijn Schrama o.s.a, Ambo, Baarn, 1996, 295 -  AURELIUS AUGUSTINUS, Van aangezicht tot aangezicht. Preken over teksten uit het evangelie volgens Matteüs [Sermones de scripturis 51-94]. Vertaald en van aantekeningen voorzien door Joost van Neer, Martijn Schrama en Anke Tigchelaar, ingeleid door Joost van Neer, Ambo, Amsterdam, 2004, 676. Om het leesgemak te verhogen werd de interpunctie hier en daar gewijzigd.